Voetbalconditie -10 veel gemaakte fouten door voetbaltrainers-

01 Nov

Conditie Trainer | Tekst: Rogier Veenstra | Beeld: Jelmer Siemons 

Jelmer Siemons is eigenaar van opleidingscentrum Start2Move, met meer dan 20 locaties het grootste Fit!vak erkende opleidingscentrum van Nederland en specialist op het gebied van Sport, Fitness en Health. Daarnaast was Jelmer onder meer verantwoordelijk voor het fysieke aspect bij de eerste selectie van sc Heerenveen. Met zijn opgedane kennis probeert hij clubs een handje te helpen: “trainers maken heel veel fouten als het gaat om de manier van trainer. Dat heeft puur te maken met het gebrek aan kennis. Laat trainers een definitie van voetbalconditie geven en velen haken al af. ”   

Testen en meten 

Veel enthousiaste trainers maken vaak aan het begin van het seizoen duidelijk dat een goede conditie bepalend is voor de resultaten in de competitie. Om dit goed in kaart te brengen worden er, in samenwerking met de verzorger of in een uitzonderlijk geval een inspanningsfysioloog allerlei testen afgenomen. Spelers lopen zich in het zweet en wachten de resultaten af, maar in de meeste gevallen komen die uitslagen niet verder dan de hoofdtrainer of wordt het een keer besproken en lijkt alles in de prullenpak te verdwijnen. Dat vindt de 36-jarige Siemons eeuwig zonde, omdat je volgens hem met de juiste resultaten van een aantal testen zoveel kan doen. “Als je testen wilt uitvoeren, moet je jezelf allereerst een aantal zaken afvragen. Zo is het verstandig om te bedenken wat een trainer met de testen wil bereiken en welke test daar een antwoord op kan geven. 

De interval shuttle run test (ISRT) is één van de testen die ik vaak gebruik, omdat deze "voetbalspecifieker" is in vergelijking met bijvoorbeeld een Coopertest (12 minuten loop). De reden hiervoor is dat er net zoals tijdens een voetbalwedstrijd sprake is van een intervalkarakter met rustmomenten. De uitslagen van deze test vertellen o.a. iets over de mate van herstellen, de hartslag en het punt dat een speler ‘in het rood’ zit. Je hebt als trainer nu een redelijk beeld van 1 aspect van de "voetbalconditie" van een speler. Voor het meten van de startsnelheid en het versnellingsvermogen kies ik vaak voor de 10 en 25 meter en voor de wendbaarheid de T-test en voor de sprongkracht voeren we diverse een- en tweebenige hoptesten uit, evenals de counter movement jump. Vervolgens komt de belangrijke vervolg vraag: Wat ga ik doen met de uitslagen en hoe ga ik aan de slag met de verbeterpunten?” 

“Testen worden uitgevoerd, maar resultaten belanden vaak in de prullenbak” 

“In mijn tijd bij sc Heerenveen, met Marco van Basten als hoofdtrainer, hield ik mij bezig met de warming-up, voorafgaand aan de trainingen, en de fysieke gesteldheid van de spelers. Mitchell Dijks, nu spelend bij AJAX, had ik o.a. onder mijn hoede. Hij hanteerde toen al dezelfde manier van spelen zoals hij nu in Amsterdam doet: in balbezit het liefst als een verkapte linkervleugelaanvaller spelen en dus erg aanvallend ingesteld. Hij had echter één probleem. Na zijn aanvallende actie was hij moe en had hij niet altijd het vermogen om in een hoog tempo weer terug te keren in de verdedigende stellingen. Een interval shuttle run test wees toen uit dat zijn hartslag na inspanning moeite had om snel te dalen en waardoor hij dus vermoeid bleef. Vanuit zijn positie in het veld hebben we dit een aantal weken op het trainingsveld nagebootst. Dus ging hij als linkervleugelverdediger in de partijvormen vaak mee naar voren en in hoog tempo moest hij weer omschakelen. Soms werd er na de training nog wat aandacht aan geschonken en lijkt het nu, drie seizoen later, wel dat hij kan blijven opkomen langs die linkerkant. Ik vind dit een mooi voorbeeld om te laten zien welke test je kan gebruiken. Vervolgens komt daar een resultaat uit en de belangrijkste stap, en die vergeten heel veel trainers én het medische team bij een vereniging, hoe ga ik dat verbeteren. De meest ideale situatie vind ik dan om dat te trainen tijdens de training die dicht bij een wedstrijdsituatie terugkomt.” 

Als er zo’n looptest is uitgevoerd en de resultaten zijn binnen, zijn veel betrokkenen tevreden, maar eigenlijk is de eerste stap pas gezet. Als er vervolgens wat mee gedaan wordt dan kan er gezegd wordt dat er een kans bestaat dat de voetbalconditie van een speler beter wordt. Toch is voetbalconditie volgens Siemons veel complexer dan trainers willen geloven. De conditie van een voetballer bestaat uit veel meer eigenschappen die helaas vaak los van elkaar gezien worden. Die eigenschappen zijn coördinatie, lenigheid, uithoudingsvermogen, kracht en snelheid en worden vaak aangeduid met ‘CLUKS’. Is een team of een speler volgens de trainer niet fit genoeg dan wordt er al snel geroepen ‘we gaan harder trainen’ of ‘ga jij na de training nog maar even een aantal rondjes op tempo om het veld rennen’, dat is natuurlijk veel te gemakkelijk. Alle eigenschappen hebben met elkaar te maken en moeten in orde zijn om maximaal te kunnen presteren, waarbij het voetbalspel als uitgangspunt wordt genomen. Voetbal is een conservatieve wereld en op het gebied van conditie (en dus alles wat daarbij hoort) kan de voetbalwereld, zeker in Nederland, nog hele grote stappen maken.” 

Natuurlijk weet Siemons als geen ander dat de mogelijkheden bij een club als sc Heerenveen groter zijn dan die bij een amateurvereniging in zijn woonplaats Zwolle. Toch heeft hij een advies voor de amateurs die ambitieus zijn óf clubs die een eerste selectie ieder seizoen aanvullen met vooral veel jeugdspelers. “Het is tegenwoordig heel erg simpel om data op te slaan of te delen, denk bijvoorbeeld aan gratis online opslagdiensten als de Cloud of Dropbox. Wil je als vereniging een goed beeld hebben van jeugdspelers, neem dan een aantal testen af en sla deze gegevens op. Als je dat bijvoorbeeld bij een talentvolle speler uit de O13 doet, en je volgt hem een aantal seizoenen en blijft hem testen dan weet je waar hij stappen in kan maken en om dus eventuele problemen in de O19 of zelfs het eerste elftal te voorkomen. Vervolgens heb je ook een referentiekader. 
Mochten er structurele resultaten terugkeren, dan kunnen daar trainingen op worden aangepast en is de kans groot dat bepaalde problemen bij de O13 in 2016 (hoog vetpercentage of een beperkte score in de T-Test, draaimoment bij een speler,) een aantal jaren later bij de nieuwe lichting van D-pupillen een stuk minder zijn. Testen en meten, je kan er zoveel winst mee boeken, om dus maar te zwijgen over hetgeen trainers nu elke week, elke maand en elk seizoen missen.” 

Manier van trainen 

Iedere trainer deelt de week op zijn eigen manier in. Toch verschilt het in de theorie niet zo veel met elkaar. Ploegen die twee keer per week trainen zullen vaak een avond aandacht schenken aan de conditie en de andere avond iets meer tijd vrijmaken voor het ontwikkelen van de speelwijze en dus de nadruk leggen op het tactische verhaal. Toch is er een wereld van verschil tussen de theorie en de praktijk, iets wat Siemons helaas ook nog heel vaak ervaart. “Om te beginnen wil ik duidelijk maken dat ik de keuze van veel trainers begrijp, namelijk de scheiding tussen een tactische en een conditionele training. Toch worden er ontzettend veel fouten gemaakt, waardoor een training in sommige gevallen zelfs averechts zou kunnen werken.” 
“Om te beginnen met de warming-up. Om te beginnen zijn de loopvormen bij negen van de tien clubs alleen maar gericht op een voorwaartse beweging, terwijl in de wedstrijd een speler continu van richting moet veranderen. Daarnaast zullen voetballers in de wedstrijd veel springen, landen en afremmen, iets wat in de voorbereiding op die wedstrijd nauwelijks tot niet voorkomt. De volgende stap die trainers moeten maken is welke warming-up hoort bij welke trainingsintensiteit..? Heb je daags na een wedstrijd een hersteltraining en hanteer je dezelfde vormen als voor een wedstrijd, dan is de kans groot dat de intensiteit van de warming-up veel hoger ligt dan tijdens de rest van de training. Maar ben je van plan om tijdens de training veel kleine partijvormen te gaan spelen, dan is het verstandig om de handelingen die je tijdens zo’n partijvorm uitvoert, zoals korte sprints, ook tijdens de warming up terug laten komen.” 

“De warming-up moet overeenkomen met de intensiteit van de training” 

Als de warming overeenkomt met de intensiteit van de training die volgt is een eerste stap gemaakt, maar heeft de trainer op conditioneel vlak nog veel valkuilen waar hij in kan trappen en helaas ook vaak in trapt. Het aantal spelers speelt daar een erg belangrijke rol in. Er zijn namelijk erg weinig trainers die bijhouden wat de arbeid-rust verhouding is. Dan komt het dus voor dat een groep van zes spelers tijdens een oefening veel minder rust heeft dan een week geleden, omdat er toen tien spelers op het veld stonden. De rustperiode bepaalt voor en groot gedeelte het trainingseffect. Lange rust hoort bij het verbeteren van de explosiviteit en een korte rust is gericht op het sneller herstellen. Neem dit mee als je begint aan sprints voor een partijspel.”  

“De manier van trainen kent zoveel valkuilen” 

“Zoals gezegd klopt het vaak in de theorie en dus op papier wel, maar in de praktijk komt het echter nog te vaak voor. De tactische training neigt naar een conditionele training. Je hebt als trainer het spel een aantal keren stilgelegd en tactisch is er het een en ander verteld. Omdat spelers nou eenmaal geen liefhebber zijn van de daarbij horende stopmomenten besluit je om de training toch nog even ‘lekker’ af te sluiten en speelt nog een half uur vier tegen vier. Ook komt het voor dat er twee dagen voor een wedstrijd nog een VCT-training (voetbalconditie training) op het programma staat. Er is echter te weinig kennis over de herstel- en supercompensatietijden van een training. In beide voorbeelden kan het dus voorkomen dat spelers op de wedstrijddag nog herstellende zijn van de vorige training en heeft de conditionele prikkel of de partijvorm voor het ‘lekkere’ gevoel juist het tegenovergestelde resultaat. Om dit te voorkomen zorgt het periodiseringsmodel van Raymond Verheijen ervoor dat duidelijk wordt wanneer je welke training kan geven en welke hersteltijd daarbij hoort.

”Spelers moeten op de dag van de wedstrijd uitgerust zijn, het tegenovergestelde komt helaas vaak voor” 

Een trainer is op de goede weg als hij ervoor zorgt dat zijn spelers niet vermoeid aan de start van een wedstrijd verschijnen, maar daarentegen doordeweeks wel een conditionele prikkel hebben gekregen. Ook verdient hij een compliment als hij ook goed let op de arbeidsrustverhouding en de oefeningen tijdens de warming up. “Er zijn vervolgens natuurlijk nog meer stappen in de juiste richting te maken en één daarvan voorkomt blessures en komt de ontwikkeling van spelers ten goede, namelijk: rekening houden met individuele verschillen binnen het team! Het heeft natuurlijk wat voeten in aarde om op deze manier te werken, omdat je dan eigenlijk een individueel trainingsschema voor veel spelers moet opstellen, maar het levert eigenlijk alleen maar winnaars op. Als trainer bestaat er de kans dat je en beroep kunt blijven doen op veel spelers en spelers blijven fit en kunnen zich dus blijven ontwikkelen. Trainers zullen zich natuurlijk afvragen waarom het zo belangrijk is om rekening te houden met individuele verschillen in een groep en waarom je daar rekening mee moet houden. Ik zal dat met een voorbeeld duidelijk maken. Een groot talent uit de O19 stroomt door naar het eerste elftal. Hij heeft moeite met het hogere baltempo en de fysieke belasting bij de senioren, niet zo gek, omdat hij dit niet gewend is. Daarnaast gaat de trainingsfrequentie ook nog eens omhoog. Omdat hij zijn kans wil grijpen, geeft hij niet aan dat hij eigenlijk erg vermoeid is en wat last heeft van zijn hamstring. Hij raakt overbelast, haalt zijn niveau niet meer en raakt uiteindelijk geblesseerd.  

Dit is een veel voorkomende situatie. Ook kan het zo zijn dat hij zo lang op zijn tenen moet lopen dat de overbelasting in december pas over gaat in een blessure. Als een jonge speler uit vorm is, wordt dat het welbekende ‘dipje’ genoemd dat hoort bij een jonge speler. En als een jonge speler kort voor de winterstop geblesseerd raakt, zal een trainer zich er vaak niet van bewust zijn dat de schade misschien wel in de voorbereiding van het seizoen is opgelopen door overbelasting. Om dit in de toekomst te voorkomen zou het goed zijn om jonge spelers in sommige gevallen uit de belasting te halen. Speel je vier keer vier minuten partij, dan spelen de jonge spelers maar twee of drie series mee en speel je drie keer tien minuten een partijspel elf tegen elf dan laat je hen twee series mee doen. Op deze manier kunnen ze wennen aan de intensiteit en kun je dat geleidelijk opvoeren. Laat deze spelers na de training ook een cijfer geven tussen één en tien dat de intensiteit en hun vermoeidheid weergeeft en vraag waarom het cijfer niet hoger of lager ligt. Dan moeten ze nadenken en creëer je een gesprek.”  
“Trainers maken de fout door iedere speler dezelfde training voor te schotelen” 

Winnaars van morgen 

De KNVB heeft al een plan gepresenteerd waar aandacht wordt geschonken aan onze talenten. Die moeten een kwaliteitsimpuls krijgen en het spelen op kleinere velden voor onze jongste voetballers is daar een voorbeeld van. Tot vreugde van Siemons maakt ook de fysieke kracht onderdeel uit van dit plan. “Natuurlijk draait het uiteindelijk om voetbal. Hoe een verdediger een bal kan onderscheppen, een middenvelder verdedigend zijn steentje bij kan dragen en in aanvallend opzicht een steekpass kan geven en een aanvaller een tegenstander kan passeren, maar kracht en conditie spelen daar gewoon een ontzettend grote rol in. Coördinatie, lenigheid, uithoudingsvermogen, kracht en snelheid. Heel veel valt en staat met deze eigenschappen en dus vind ik het een goede ontwikkeling daar de komende jaren daar meer naar wordt gekeken. Ik deel mijn kennis op dit moment ook met profvoetballers die via de VVCS (vereniging voor contractspelers) een cursus kunnen gaan volgen, om meer kennis op te doen op het gebied van o.a. (sportspecifieke) trainingsleer, anatomie en fysiologie. Het zou toch mooi als binnenkort dat al bij de jeugd begint en ook trainers zich daar in verdiepen.” 

Tien veel gemaakte ‘fouten’ door voetbaltrainers: 

1) De intensiteit van een training wordt bepaald door het aantal aanwezige spelers 

2) Er is onvoldoende onderscheid tussen de voetbal conditionele training en de tactische training 

3) De warming-up wordt niet aangepast aan de intensiteit van de training  

4) Het gehanteerde periodiseringsmodel wordt te star gehanteerd  

5) Er is onvoldoende aandacht voor specifieke “voetbalconditie”  

6) Er is te weinig aandacht voor (de juiste) romp stability oefeningen  

7) Er wordt te weinig rekening gehouden met individuele verschillen binnen het team en jonge spelers worden vaak overbelast 

8) Testen en metingen worden vaak niet structureel en bovendien regelmatig op de verkeerde wijze uitgevoerd en verkeerd geïnterpreteerd 

9) Er wordt niet of nauwelijks iets gedaan met de uitslagen van de testen en metingen  

10) Er wordt nog regelmatig statisch gerekt voor aanvang van een wedstrijd 

Wil je meer weten? Start2Move biedt diverse -door de KNVB erkende- cursussen waaronder de cursus Conditietrainer Voetbal en Hersteltrainer Voetbal, Periodisering Voetbal en Testen en Meten van Voetballers
 

Door Jelmer Siemons | 01-11-2016


Meer lezen over: Sport, Voetbal, Fitness, Health