Periodisering Voetbal: Model of Maatwerk?

04 Mar

Veel trainers werken met aangeleerde periodiseringsmodellen. Daardoor staan ze te weinig stil bij de vraag waarom ze eigenlijk bepaalde keuzes maken. Het gevolg is dat de theorie in plaats van de praktijk leidend wordt. Volgens Jelmer Siemons van opleidingsinstituut Start2Move is een periodiseringsmodel geen blauwdruk, maar een uitgangspunt. Er zijn verschillende manieren om zelf de juiste accenten aan te brengen, schrijft hij.

In de voetbalwereld worden periodiseringsmodellen vaak klakkeloos overgenomen. Neem de methode van Raymond Verheijen, die bij de KNVB wordt aangehouden. Dat is een goede methode, maar net als bij alle andere periodiseringsmethodes kun je Verheijens modellen niet één op één overnemen voor elke situatie en elk team. Helaas mist de voetbalwereld vaak de achtergrondkennis over het hoe en wat van periodisering. Als gevolg daarvan kiest men er toch vaak voor om een bepaald model te kopiëren. Een vicieuze cirkel, want deze gewoonte zorgt er weer voor dat trainers nooit achtergrondkennis opbouwen over periodisering.

Periodiseringsmodellen zijn bedoeld als handvat. Ze vormen geen blauwdruk, maar zijn een uitgangspunt om je eigen weg te vinden. Een periodiseringsmodel van bijvoorbeeld Raymond Verheijen kan een prima basis zijn voor het behalen van lange-termijndoelen. Maar niet als je niet weet welke impact de verschillende onderdelen van het model hebben op jouw team, met zijn specifieke spelniveau en samenstelling. De keuzes die het model voorschrijft zijn namelijk niet per definitie de beste keuzes voor jouw team. Soms moet je de beslissing nemen dat je er van afwijkt. Een dergelijke verstandige beslissing kun je echter alleen nemen als je je verdiept in de vraag: ‘Wat is de gedachte achter (de verschillende onderdelen van) dit periodiseringsmodel?’

Laat me de blokmethode van Verheijen als voorbeeld nemen. Deze manier van periodiseren bestaat uit een stappenplan, waarin elke twee weken het accent wordt gelegd op een ander doel. De ene twee weken draait om een bepaalde trainingsprikkel, de twee weken daarna draait het weer om een andere prikkel. Elke cyclus bestaat uit zes weken (drie maal twee weken). Hier zit altijd een opbouw in. Er is bijvoorbeeld een ontwikkeling van groot naar klein. De eerste twee weken draaien om het volhouden van vaak handelen, in langdurige en grote partijvormen. In de twee weken daarop gaat de snelheid omhoog, de duur omlaag en het aantal spelers ook. Dan neemt het aantal balcontacten toe, wordt de intensiteit hoger en komt de focus meer te liggen op het trainen van het herstelvermogen. De derde twee weken ga je nóg kleiner spelen en komt er ook aandacht voor explosiviteit. Ook het herstellen na een geleverde inspanning wordt in deze laatste fase getraind.

Overboord

Vaak reageren trainers verkeerd als een model niet blijkt te werken. In plaats van verstandige aanpassingen te doen, wordt het hele model maar afgeschreven. Dat is dan weer het andere uiterste! Het probleem is dus tweeledig. Enerzijds leidt het strikt volgen van een model zelden tot nooit tot een optimale manier van periodiseren. Anderzijds wordt vaak een – in de basis prima – model overboord gegooid, zodra het niet blijkt te werken voor een bepaald team. Beide scenario’s zijn onverstandig en zonde.

Ik zou daarom willen pleiten voor een tussenweg, waarbij het model als uitgangspunt wordt genomen, maar je tegelijkertijd zelf blijft nadenken over waar jouw team het meest bij gebaat is. Elk team is namelijk anders qua speelstijl, grootte, samenstelling en niveau. Dat is de reden waarom het zo belangrijk is om een periodiseringsmodel hier en daar ‘om te buigen’. Om dat ombuigen te kunnen doen, is het belangrijk dat je als trainer de achtergrond van periodiseringsmodellen begrijpt. Je moet doorgronden waarom de maker van een model bepaalde keuzes voorschrijft. Bijvoorbeeld wat de gedachte achter een bepaalde intensiteitsopbouw is, of waarom blokken een bepaalde lengte hebben. Pas als je zulke vragen voor jezelf kunt beantwoorden, kun je een model verstandig in de praktijk toepassen.

Op deze en andere adviezen wil ik hieronder verder ingaan. Hopelijk helpen ze de lezer om periodiseringsmodellen in de praktijk verstandig toe te passen en zodoende op de lange termijn meer effectieve doelstellingen te realiseren.


Verdiep je in het hoe en waarom achter periodiseringsmodellen

Verdiep je in de achtergrond van een bepaald model, zodat je weet waarom er bepaalde keuzes worden gemaakt. De kernvraag daarbij is als volgt: is de prikkel die ik volgens dit model moet geven, de prikkel die mijn spelers op dit moment nodig hebben? Daarvoor moet je op zijn beurt antwoord kunnen geven op vragen als: Wat is het idee achter het verhogen of juist verlagen van intensiteit en duur? Waarom wordt het aantal spelers op een gegeven moment gewijzigd naar beneden of naar boven?

Om deze vragen te beantwoorden, moet je weten wat verschillende trainingsprikkels met de lichamen van voetballers doen. De belasting van explosieve acties en sprints heeft de grootste impact op je lichaam. Het continu aanzetten en afremmen zijn flinke piekbelastingen voor je pezen en spieren, denk aan sprints en kleine partijen. Maar besef ook dat dit per individu kan verschillen: de ene speler heeft pas twee dagen na een wedstrijd last van stijfheid en een andere speler voelt dit al direct na een wedstrijd.

Ook belangrijk is om de basics te kennen van inspanning en rust. De balans tussen die twee moet, vanwege het herstel van de spelers, goed zijn. Vaak wordt in de voetballerij gedacht dat je altijd maar hard moet trainen. “Als spelers moe zijn, hebben ze goed getraind.” Maar zo werkt het niet.

Er zijn veel factoren van invloed op hoe je rust in de trainingen moet verwerken. Welke oefenvorm heb je bijvoorbeeld uitgevoerd? Een set sprints of juist een duurvorm voor het uithoudingsvermogen? Wil je een fysieke prikkel (overload) creëren, of wil je dat de spelers leren (vanuit tactisch oogpunt) hoe ze moeten staan en lopen? Bij sprintoefeningen is er sprake van veel verschil in de balans inspanning-rust; je hebt sprints met veel rust en sprints met weinig rust en sprints waarbij het accent op volhouden ligt. Het ligt dus aan de doelstelling van de sprint welke rustperiodes je moet aanhouden. Wil je dat een speler het langer moet volhouden? Of wil je dat een speler sneller gaat herstellen, waardoor je juist de rustperiodes gaat veranderen?

In algemene zin kan ik over inspanning en conditie zeggen: kies te allen tijde voor de weg van de geleidelijkheid. Dat is per definitie beter dan in een korte tijd een topconditie bij je spelers uit de grond proberen te stampen. Dat laatste zorgt dikwijls voor overbelasting met als gevolg blessures. Zelfs bij grote eredivisieclubs wordt in de voorbereiding op een seizoen of een wedstrijd vaak te hard getraind. Daardoor zakt het team in de tweede seizoenshelft weg of hebben ze respectievelijk pap in hun benen tijdens de wedstrijd. Houd bij het periodiseren dan ook scherp in de gaten wanneer spelers rust nodig hebben. Zonder rust geen herstel en zonder herstel geen optimale prestatie op het veld. 
Durf onderweg aanpassingen te doen
Als je periodisering gaat bepalen, begin dan bij het einde: wat is het lange-termijndoel voor dit seizoen of dit blok? Als je dat op je netvlies hebt, kun je gedurende het proces telkens opnieuw inschatten wat op dat moment de meest logische vervolgstap is. Wat brengt je dichterbij je doel? Wees niet bang tussentijds wijzigingen aan te brengen als iets niet blijkt te werken voor jouw team. Het gaat niet om de regeltjes, maar om het einddoel.


Durf onderweg aanpassingen te doen


Een voorbeeld: je hebt je team een neutrale trainingsweek gegeven, omdat ze drie wedstrijden in één week moesten spelen. In de week daarna staat er een fysieke prikkel op de planning, maar je ziet dat je ploeg nog moe is van de wedstrijdbelasting. Dan moet je als trainer aanvoelen dat je wel moet trainen, maar dat je de inhoud van de desbetreffende training moet aanpassen. Concreter: je brengt de intensiteit van de training naar beneden.

Een andere reden om af te wijken van wat een model of planning voorschrijft, zijn grote verschillen binnen een groep. Denk aan een verschil in leeftijd of een verschil in wat (amateur)spelers in het dagelijks leven doen. Een speler die fysiek zwaar werk heeft, komt anders op de training aan dan iemand die de hele dag binnen op kantoor zit. Dit zijn enkele factoren die misschien niet altijd je aandacht hebben, maar waar in het periodiseren rekening mee gehouden moet worden.

Behalve inhoudelijke redenen, kunnen er ook praktische redenen zijn om aanpassingen te doen. Stel dat je volgens het model, dat je gebruikt, een partij van tien tegen tien moet spelen, maar er komen maar twaalf spelers opdagen voor de training. Dat probleem zal vaak voorkomen bij amateurclubs, die niet over de luxe van een brede spelersgroep beschikken. Maar je kunt er op inspelen, mits je de principes van een model begrijpt. Als die voorwaarde er is, ben je in staat om een manier te vinden om het doel van de training met minder spelers alsnog te realiseren. 

Voeg een stukje individuele periodisering toe

Een model dat voor een groep spelers geldt, is per definitie onvolmaakt. Het verschilt namelijk per speler bij welke belasting hij het meest gebaat is. Een bepaalde belasting kan bij de ene speler underload zijn (te lichte prikkel), bij de ander overload (zwaardere prikkel dan normaal) en bij weer een ander overbelasting. Daarom is differentiatie per speler, oftewel individuele periodisering, belangrijk. Verwar overbelasting overigens niet met overload – het laatste is waar je in principe naar streeft, het eerste wil je juist absoluut niet vanwege het risico op blessures. Overbelasting kan onder meer plaatsvinden bij spelers die pas net bij de groep zijn aangesloten.

Individuele periodisering is een uitkomst bij spelers die terugkeren van een blessure (of nieuw in de groep zijn). Afhankelijk van de blessure en het aantal weken dat een speler uit de roulatie is (geweest), moet je keuzes maken over wat een speler tijdens de training mag doen. Normaal gesproken starten spelers met een warming-up en een simpele pass- en trapoefening in de groep. Meestal stappen de terugkerende spelers dan uit en gaan ze nog specifieke oefeningen doen met een fysieke trainer of met de medische staf. Gaat dit goed, dan kunnen ze instromen in het positiespel als neutrale man om vervolgens de stap te maken naar het partijspel. Een groot partijspel is de eerste stap; de helft van wat de groep doet. Speelt de groep bijvoorbeeld twee keer vijftien minuten? Dan spelen de terugkerende spelers dus eerst vijftien minuten. Daarna gaan ze uitbreiden naar een volledig groot partijspel, gevolgd door middelgrote en kleine partijen. Afhankelijk van de blessure en het aantal weken dat ze uit de roulatie zijn, kun je deze stappen doorlopen.

De laatste stap is om weer aan te sluiten bij de groep en te beginnen met wat elke speler wil, namelijk wedstrijdminuten maken! Maar dan wel met de juiste voorbereiding in de benen, zodat de individuele speler én het team op de lange duur sterk staan. Want dat is en blijft het doel van periodisering. 

Jelmer Siemons

Jelmer Siemons is eigenaar van opleidingsinstituut Start2move, dat hij in 2007 oprichtte. Daarnaast was hij docent op het CIOS in Arnhem. In het verleden was hij onder meer docent bij Landstede sport en bewegen in Zwolle, examinator voor Fit!vak en manager van vier fitnesscentra. Al tijdens zijn studie aan de Christelijke Academie Lichamelijke Opvoeding (CALO) in Zwolle was hij actief als fitnessinstructeur, reisleider en skileraar. In het seizoen 2013-2014 was hij conditietrainer van sc Heerenveen, waar hij samenwerkte met Marco van Basten. Met Start2move biedt hij onder meer de cursussen Conditietrainer Voetbal, Periodisering Voetbal, Hersteltrainer Voetbalen Testen & Meten van Voetballers aan.

bron: Trainersmagazine maart '16

Door Elian Goettsch | 04-03-2016


Meer lezen over: Sport, Voetbal, Cursus, Docent